Iduna Paalman en haar late eerste keren

Tekst Iduna Paalman
Illustratie Loes Faber

Iduna Paalman (28) schrijft poëzie, proza en toneelteksten. In het najaar van 2019 verscheen bij uitgeverij Querido haar lovend ontvangen poëziedebuut De grom uit de hond halen. Vervolgens werd ze door De Volkskrant uitgeroepen tot literatuurtalent van het jaar.

Toen ik mijn eerste Disneyfilm keek was ik bijna volwassen. Oké, dat is niet helemaal waar: bij vriendinnetjes, in wachtkamers, bij oma en in het kids spleashure-gedeelte van het zwembad had ik heus weleens een Ariël of een dalmatiër voorbij zien komen. Ik wist dat Bambi een hert was en het Beest een prins. Maar het gebeurde allemaal nooit op mijn eigen bank, in mijn eigen huiskamer.

Het laatbloeien zat er sowieso vroeg in. Eerste tand door de lip? Veertien. Eerste zoen? Zestien. Eerste gebroken ledemaat? Nog niet voorgekomen. Mijn jeugd voelde als één grote onrustige aanloop naar alles wat ooit zou gaan gebeuren – maar nu nog niet. Mijn moeder zei: ‘Een televisie? Ga lekker buitenspelen!’ De schoolarts zei: ‘Ongesteld ga je nog dertig jaar worden meid, geen haast.’

Het voelde niet fijn, steeds de laatste te zijn die iets meemaakte. FOMO (fear of missing out) is een bekende kwaal onder twintigers en dertigers, maar weinig mensen weten dat het verschijnsel het meest voorkomt bij jonge tieners, die overal aan mee willen doen en klaar voor willen zijn en van al die dingen maar een kwart daadwerkelijk aandurven.

Inmiddels had ik op mijn zeventiende een zogenaamd ‘Disney-gat’ ontwikkeld, dat werd problematisch. Klasgenoten dweepten in van jeugdsentiment overstroomde verhalen over Timon en Pumba, ik had geen idee wie dat waren, en toen we op school The circle of life zongen moest ik keer op keer opbiechten dat ik The Lion King nog nooit had gezien.

Er moest iets gebeuren, en zo kwam het dat ik, drie maanden voor mijn achttiende verjaardag, samen met mijn broertje voor het eerst The Lion King keek. Mijn moeder had inmiddels een tv aangeschaft en zat naast ons op de bank. ‘Prachtig,’ zei ze aan het einde van de film met tranen in haar ogen. ‘Fijn dat ik jullie dit toch nog mee kan geven.’

‘Beetje laat wel,’ zei mijn broertje.

Mijn moeder knuffelde ons en op dat moment besefte ik iets geks: hoe leuk het is om iets te hebben gemist, en het dan te kunnen inhalen. Het plezier van het inhalen, bedacht ik, wordt nogal onderschat.

Inmiddels nader ik de dertig en zijn er nog steeds een boel dingen die ik nooit heb gedaan. Mijn haar verven, een muur slopen, een voetbalwedstrijd bijwonen, een trio, een reis buiten Europa, autorijden. En al die dingen gaan vast nog eens gebeuren – wat een rijkdom eigenlijk. Dit verhaal is dus, zonder dat ik wil klinken als oma die met trillende hand haar cognacglas heft op de vluchtigheid van het leven, een pleidooi voor late eerste keren. Alles wat nog niet gebeurd is en waarop we wachten, ligt dus nog in het verschiet. Best een verheugend idee toch?

Overigens beluisterde ik laatst een interessant interview met mediawetenschapper Dan Hassler-Forest, waarin hij The Lion King als racistische film besprak. ‘Wat ze in de film the circle of life noemen is eigenlijk gewoon een rangorde met de leeuwen bovenaan de voedselketen en de hyena’s onderaan,’ zei hij. ‘Je leert dat macht en privilege iets is wat vanzelfsprekend en natuurlijk is; iets wat ook nog eens biologisch bepaald wordt. Alleen Simba kan de macht overnemen en houden, want het is kennelijk ook iets wat alleen maar aan sterke mannen toebehoort.’

Nog een voordeel van late eerste keren: je hebt geen last van nostalgie als er eens wat jeugdsentiment op de tocht staat.

Share on facebook
Facebook
Share on twitter
Twitter
Share on linkedin
LinkedIn
Verder

Verder Lezen